|
Article on other languages:
|
Een naamval of casus is een middel waarmee in flecterende talen of agglutinerende talen de grammaticale rol van een woord in de zin kan worden aangegeven. Dit middel is morfologisch van aard, wat wil zeggen dat de vorm van het betrokken woord wijzigingen ondergaat, meestal in de vorm van een naamvalsuitgang. Talen met naamvallen zijn bijvoorbeeld het Latijn, het Russisch, het Duits en in mindere mate het Nederlands. Ook het Engels heeft nog resten van een naamvalssysteem. In al deze talen gaat dit systeem terug op dat van het Proto-Indo-Europees, dat acht naamvallen kende (zie het tabelletje hiernaast). De term naamval wordt vaak in engere zin gebruikt voor vormen die afstammen van deze oorspronkelijke acht, maar kan ook in wijder verband toegepast worden in de analyse van andere taalgroepen. Gebruik van naamvallenSommige talen, zoals het Arabisch, hebben slechts een paar naamvallen. Andere, zoals het Fins, hebben er juist veel meer of, zoals het Chinees, juist helemaal geen. Talen die geen of niet in alle gevallen naamvallen gebruiken, gebruiken hiervoor in de plaats vaak voorzetsels of een vaste woordvolgorde. Een voorbeeld van naamval versus voorzetsel aan de hand van het Nederlands en het Duits:
Het Duits gebruikt hier een naamval om de functie van mein Bruder (genitief) en die Spammer (datief) aan te geven. Het Nederlands gebruikt in plaats daarvan een voorzetsel: in de eerste zin van, in de tweede aan. In veel talen worden naamvallen en voorzetsel in combinatie gebruikt. Het Nederlandse voorzetsel met had bijvoorbeeld in het verleden de datief, in het Duits is dat voor het overeenkomstige mit nog steeds het geval. In zekere zin is dit gebruik wat dubbelop, vaak is bij het weglaten van de naamvalsuitgang de betekenis nog steeds duidelijk. Dat is precies de weg waarlangs het Nederlands zijn uitgangen verloren heeft. Er zijn echter ook voorzetsels die in combinatie met meer dan een naamval voorkomen. In het Russisch heeft het voorzetsel s bijvoorbeeld ofwel de betekenis met ofwel vanaf. In het eerste geval gaat het gepaard met de instrumentalis in het tweede met de genitief. Een voorbeeld van naamval versus woordvolgorde aan de hand van het Nederlands en het Latijn:
Het Nederlands kent in dit geval geen naamvalsonderscheid. In plaats daarvan wordt hier een vaste woordvolgorde gebruikt. Aan Cornelia en Marcus is niet te zien welke functie ze hebben in de zin. Je kan niet zeggen Marcus slaat Cornelia als je bedoelt dat Cornelia Marcus slaat. In het Latijn is het anders. De volgende twee zinnen betekenen hetzelfde:
Dit kan omdat in het Latijn de functie van woorden uit de naamvalsvorm ervan blijkt. De nominatief-uitgang -a bij Cornelia wijst er in dit geval op dat Cornelia onderwerp is in deze zin. De accusatief-uitgang -um bij Marcum wijst erop dat dit woord lijdend voorwerp is. Hierdoor is de woordvolgorde dus niet meer van belang. Zou je willen zeggen dat Marcus Cornelia slaat, dan wordt het:
Dit werkt ook bij meer gecompliceerde zinnen:
Alle mogelijke woordvolgordes (in dit geval 120) zijn in deze zin mogelijk, zonder dat de betekenis verandert. De nadruk in de zin kan echter wel verschillend zijn. De nominatief-uitgang -a geeft aan dat Cornelia onderwerp is, -um (accusatief) dat librum (boek) en antiquum (oud) lijdend voorwerp zijn en -o (datief) dat Marco meewerkend voorwerp is. Hierdoor maakt de volgorde waarin ze staan niet meer uit. Overigens zijn lang niet alle mogelijke volgordes gebruikelijk in het Latijn, al ze zijn wel allemaal correct. Bij gecompliceerdere zinnen kan de woordvolgorde wel degelijk van belang zijn, maar die blijft oneindig veel vrijer dan de Nederlandse. Daardoor kan het Latijn veel meer met inversies werken dan het Nederlands Naamvallen in het NederlandsHet Nederlands heeft het stelselmatige gebruik van naamvallen grotendeels verloren. Persoonlijke voornaamwoorden zijn daarop een uitzondering:
Hem en mij zijn de accusatiefvormen van hij en ik. Het enige verschil tussen accusatief en datief in het modern Nederlands, buiten de staande uitdrukkingen, vindt men in het onderscheid tussen hen en hun. Hen is de accusatief van het persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon meervoud en hun is de datief. Voor de rest moeten we het vooral van de volgorde en de voorzetsels hebben. Toch is er nog een aanzienlijk aantal overblijfsels in het Nederlands:
De genitief komt nog het meeste voor in het Nederlands, maar er zijn ook voorbeelden van de datief en de accusatief te vinden in wat vaste of staande uitdrukkingen genoemd worden.
Ook in (achter)namen komen we naamvallen nog wel eens tegen:
Overzicht van naamvallen
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.