|
Article on other languages:
|
Broadwood vleugel (ca 1840)
De piano is een slag-, toets- en snaarinstrument uit de citerfamilie dat bespeeld wordt met een enkel klavier en 2 of 3 pedalen. De originele naam is eigenlijk pianoforte, dat letterlijk zacht (en) sterk betekent. Doordat de kracht [1] waarmee een hamer van het speelmechaniek de snaren bespeelt afhangt van de wijze van bespelen van een toets [2], kan elke toon afzonderlijk zowel luid als zacht (en de nuances daartussen) gespeeld worden. Dit ontbrak bij de voorlopers van de piano, waaronder bijvoorbeeld het klavecimbel. Later werd de naam verder ingekort tot piano; tegenwoordig heeft de term pianoforte de betekenis gekregen van "authentiek instrument" van de barok- en klassieke periode. Soms ziet men ook wel de term fortepiano, wanneer men de voorloper van de moderne piano bedoelt.
GeschiedenisDe piano is tussen 1698 en 1709 door Bartolomeo Cristofori in Florence uitgevonden, en heette toen pianoforte of fortepiano, of hammerklavier. Silbermann was een van de eerste Duitse pianobouwers, en Johann Sebastian Bach heeft ook al kennis gehad van diens instrumenten. De vernieuwing van klavecimbel naar pianoforte was enorm, er was een nieuw type instrument ontwikkeld, dat een totaal andere klank had. Aanvankelijk waren de hamertjes met hard leer omspannen, later werd dat vervangen door het zachtere samengeperste vilten hamertje, wat grote invloed op de klank had, en een rondere meer zangerige toon opleverde. Het mechaniek werkte aanvankelijk als volgt: Drukte men een toets in, dan sloeg een hamertje tegen een snaar. Dat was een vernieuwing, want tot die tijd kende men alleen het door een toets getokkelde snaar principe. Bij de 'stoss-mechaniek' (werd later het Engelse mechaniek) zit de hamer op een aparte hamerlijst, bij de 'prell-mechaniek' (werd later de Duitse of Weense mechaniek) is de hamer onmiddellijk op het achtereinde van de toets bevestigd. Dit mechaniek speelde veel lichter dan het stoss-mechaniek. In 1823 vond Erard de repetitie-mechaniek uit (mechanisme à double échappement), waarbij de hamer na de aanslag niet in de rusttoestand terugvalt, doch halverwege wordt opgevangen door een met leer bespannen 'vanger'. Het voordeel was dat er nu sneller achtereen op dezelfde toets kon worden gepeeld ofwel gerepeteerd. Het gietijzeren raam en het kruissnarige systeem werden voor het eerst in Amerika toegepast. Hierdoor konden er ook grotere spanningen op de snaren komen dan bij de houten frames van voor die tijd, wat resulteerde in krachtiger fortes en betere stembaarheid. Broadwood kreeg het patent op de uitvinding van het pedaal in 1783.[3][4] Moderne mechaniekIn rust drukken zachte vilten dempers tegen de snaren, om het doorklinken te voorkomen. Door het neerdrukken van een toets wordt deze demper van de betreffende snaar af getild, en slaat een met hard vilt beklede hamerkop tegen de snaren. Het trillen van de snaren wordt middels een kam (voor het midden- en hogetonengebied) en een baskam (voor het lagetonengebied) overgebracht naar de zangbodem waardoor deze gaat zingen (resonantie). Als de toets wordt losgelaten, wordt de demper onmiddellijk weer tegen de snaar gedrukt waardoor de toon verstomt. Om het volume van de klank te vergroten, zijn de snaren in het midden- en hogetonengebied dubbel of zelfs in drievoud uitgevoerd. De hoogste tonen worden doorgaans niet gedempt, omdat de hoogste tonen veel korter doorklinken. De piano heeft twee of drie pedalen:[5][6]
Als er een derde (middelste) pedaal aanwezig is kan dit verschillende functies hebben:
De meeste piano's hebben sinds ongeveer 1885, 88 toetsen, met een Ambitus van A0 tot C8, (van ''A tot c'''''), dat is een bereik van zeven octaven plus een kleine terts. Het aantal snaren kan per piano verschillen. Dit is afhankelijk van de mensuur die gebruikt is door de fabrikant. De snaren van een piano zijn gespannen in een gietijzeren frame wat pantserraam genoemd wordt. De trekkracht van de snaren op het pantserraam is voor alle snaren samen ongeveer 18000 kg. Alle moderne huiskamerpiano's zijn kruissnarig uitgevoerd om de lengte/dikte/spanningsverhouding te kunnen optimaliseren binnen de beperkingen van de gegeven hoogte van de piano (mensuur). Een vleugelpiano is in feite een piano waarbij de snaren niet staand, maar liggend zijn opgesteld. Ze zijn meestal langer uitgevoerd en klinken - vooral de laagste snaren - helderder, door een gunstiger lengte/dikte/spanningsverhouding. De vleugel ontleent zijn naam aan de vleugelvorm. De maten variëren van kleine salonvleugel (1.35 meter lang) tot grote concertvleugels (meer dan 3 meter lang). StemmenRegelmatig, voor piano's die in huiskamers staan globaal twee keer per jaar, en zeker als het instrument langere tijd geteisterd wordt door fluctuaties in temperatuur en luchtvochtigheid, moet de piano gestemd worden; d.w.z. de tonen moeten weer op de juiste onderling corresponderende hoogten worden gebracht. Het stemmen van een piano is een vaardigheid die de bespeler - de pianist - over het algemeen niet zelf bezit. Hiervoor moet een speciaal opgeleide pianostemmer de piano komen stemmen. Het stemmen gebeurt door het verdraaien van de stempennen, waaraan de snaren vastzitten. Hierdoor verandert de spanning en daarmee de toonhoogte van de snaar. De verdeling van de twaalf tonen binnen een octaaf heeft Pythagoras al hoofdbrekens gekost omdat de reinklinkende frequentieverhoudingen van octaven (1:2), kwinten (2:3) en kwarten (3:4) wiskundig niet verenigbaar zijn. Deze onvolmaaktheid leidde in eerste instantie tot veel verschillende stemmingen. Een voorbeeld hiervan is Werckmeister III. In de tegenwoordig gebruikte gelijkzwevende stemming wordt deze onvolmaaktheid gelijkmatig verdeeld. Daardoor kan in elke toonsoort gespeeld worden omdat de tonen onderling ongeveer zuiver klinken. De onderlinge toonsafstanden worden zodanig verdeeld, dat de frequenties van alle tonen zich onderling verhouden als de twaalfdemachtswortel uit 2, dat is (afgerond) 1,059463094. De onvolmaaktheid varieert per instrument, dit komt door de aan snaarinstrumenten inherente complicerende factor genaamd inharmoniciteit. KwaliteitDe kwaliteit van een piano wordt bepaald door een aantal factoren:
Bekende pianobouwersLuthéalDe Luthéal is een soort geprepareerde piano waarmee de klankkleur veranderd kon worden. Qua geluid iets tussen een harp, een klavecimbel en een pianoforte in. Elektronische variantenVan de piano bestaan ook elektromechanische en elektronische varianten. De Fender Rhodes en Hohner Clavinet zijn elektromechanisch. De Rhodes is echter geen snaarinstrument, maar een idiofoon en de Hohner Clavinet is een elektrisch Clavichord. Met de komst van digitale signaalverwerking en micro-elektronica zijn ook volledig elektronische op samples gebaseerde uitvoeringen op de markt gekomen, zoals digitale piano's. Zie ook moodswinger. BibliografieJos Van Leeuwen, Michael Latcham en Jan Vermeulen, Wenen op vleugels, de pianoforte als kroniekschrijven van een kunstenaarsstad 1750-1880, uitg Alamire, Peer, 1998, ISBN 9068531379. Zie ookExterne links
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.